t Greunenkriek: voor wie zich rijk voelt in het Gronings(e).



 Introductie

Mijn naam is Ingeborg Nienhuis en ik ben onder meer docent Nederlands. Ruim tien jaar heb ik met plezier lesgegeven in het eerstegraadsgebied van het voortgezet onderwijs, aan leerlingen van het leukste lyceum van het Hogeland. In deze periode heb ik veel lesmateriaal mogen ontwikkelen en meegewerkt aan nieuwe methodes. Daarover heb ik workshops gegeven namens APS. Tegenwoordig geef ik les aan leerlingen van het Willem Lodewijk Gymnasium in Groningen.

Tekstbureau Ingetekstueel richtte ik op in het laatste jaar van mijn studie, toen ik veel afstudeerscripties en websites redigeerde en bedacht dat ik daar een deel van mijn inkomsten uit zou kunnen genereren. Columns schreef ik in die tijd al voor de Groningse Universiteitskrant en na mijn afstuderen ben ik blijven publiceren in verschillende media. Nog steeds krijg ik regelmatig aanbiedingen om teksten te schrijven of te controleren.

Daarnaast heb ik veel aandacht besteed aan mijn moedertaal; het Gronings. Ik schrijf en dicht in de streektaal, deed er onderzoek naar en studeerde erop af. Daarmee was ik één van de weinigen, want aan het Groning wordt helaas maar heel weinig wetenschappelijke aandacht besteed. In 2016 mocht ik het Gronings onderzoeken aan en uitdragen namens het Bureau Groninger Taal en Cultuur van de Rijksuniversiteit Groningen. Gedurende die periode heb ik ervaring mogen opdoen met moderne onderzoekstechnieken, veel geschreven over en in de streektaal en een vaste radiorubriek ingevuld voor RTV Noord. Een aantal van de onderzoeksblogs en artikelen uit die tijd zijn ook op deze website gepubliceerd. Nog steeds verzorg ik lezingen en geef ik cursussen Gronings.

Begin 2017 verscheen het boekje Tien! met onderzoeksresultaten en blogs. Dit boekje maakte ik samen met Abel Darwinkel van t Huus van de Taol in Drenthe. Eind augustus 2017 verscheen het boek De Groningin, vanuit een en over het Groninger Paard.
By Ingeborg 15 Oct, 2017
Berichten over Frankrijk en Duitsland kwamen ons al wel ter ore, maar nog niet eerder zette onze Groningin hoef aan wal aan de andere kant van de Atlantische Oceaan! Momenteel reist ze door Canada, gechaperonneerd door de familie Kramer.

De afgelopen anderhalve maand zijn er ettelijke boekjes verkocht met vijftien avonturen verspreid door de provincie Groningen en een historisch overzicht van het Groninger Paard. Op 14 locaties in de provincie is De Groningin verkrijgbaar voor een tientje. Wilt u het laten toezenden? Ook dat is mogelijk. Mail in dat geval uw gegevens naar Ingetekstueel@hotmail.com
By Ingeborg 15 Oct, 2017

Mijn vierdeklassers heb ik onlangs een leesautobiografie laten schrijven; hun leesgeschiedenis, compleet met favoriete verhalen en boeken(reeksen). Dit is een fraaie nulmeting voordat ze gaan lezen voor het literatuurdossier. Wat bij het lezen van zulke leesbrieven iedere keer opvalt, is welke indruk sprookjes en volksverhalen achterlaten bij jonge luisteraars – en latere lezers. Zelf kan ik me de fascinatie voor sprookjes, fabels en volksverhalen nog goed herinneren. Dat is ook niet zo gek, want Groningen barst van de volksverhalen. Aagt van Ainrom die naakt door de kerk moet om haar eigen land te verdienen; Stommelsteert, ofwel de borries van Rottum die als hellehond mensen de stuipen op het lijf jaagt en vooral veel sprookverhalen over zeemeerminnen en andere boosaardig verleidelijke vrouwen – die ingebedde misogynie zit diep –; er is genoeg te lezen uit de eigen streek voor een Groninger volksverhaalliefhebber.    

 

Tot mijn geluk werd er tijdens mijn studietijd een bijvak aangeboden dat Orale Literatuur heette en gegeven werd door Jurjen van der Kooi – het woord ‘kenner’ is in dezen een schandelijk understatement. Ieder college regende het gruwelijke sagen, smakelijke broodje aap-verhalen en Freudiaanse betekenissen van ogenschijnlijk onschuldige sprookjes. De vertellingen werden ons door de begeesterde docent om de oren geslingerd op de vroege maandagochtend. Van sommige vakken is het jammer dat de bijbehorende colleges maar een periode lopen. Gelukkig was de aanschaf van Van der Koois in 2003 verschenen boek Van Janmaanje en Keudeldoemke verplichte kost en viel er  ook na het afsluiten van het bijvak nog één en ander te ontdekken. Over Groningse volksverhalen heb ik daardoor in de loop der jaren aardig wat lesmateriaal gemaakt.

 

Dit jaar vaart het oudste binnenschip van de provincie, De Familietrouw van het Veenkoloniaal Museum, door de provincie om een grimmige potpourri van Groningse volksverhalen aan wal te brengen. ‘Spinbarg’ heet dit project en het herbergt een ruim vol naargeestige verhalen die mondeling werden overgeleverd om vat te kunnen krijgen op tot dan toe onverklaarbare zaken; om uiting te geven aan (bij)geloof of om mensen te kunnen bedotten, dan wel beknotten. Sommige gruwelverhalen hebben pijnlijk veel historische waarde. De achttiende-eeuwse massamoordenaar Mepske van ’t Faan ontbreekt dan ook niet in de verzameling vertellingen. Het project Spinbarg ontleent haar naam aan de Groningse equivalent van Arachne, die draden spon – in het Groningse geval `s avonds laat, om jonge mannen in te vangen (daar hebben we meteen al zo`n verdorven vrouw 😉 ). Kunstenaars lieten hun creativiteit los op de verhalen en dat resulteerde in een schip vol indrukken. Op de laatste dag van de Kinderboekenweek, met het thema Gruwelijk eng!, bezocht ik De Familietrouw en maakte kennis met zowel een aantal vriendelijke kunstenaressen als met de schatten aan boord.

 

Spinbarg werkt als een raamvertelling. Onze Groninger Rutger Hauer, Theo de Groot, treedt naar voren als verhalenverteller die de verhalen inleidt en van historische omlijsting voorziet. Mij herinnerde dit aan Grim Tales van de BBC, waarin Rik Mayall – in kamerjas en gezeten in een wandelende fauteuil – de sprookjes van Grimm inleidde. Als bezoeker schuif je langs een aantal interactieve tableaus. Onheilspellende wezens; beproefde duivelsaanbidders; tragische liefdesgeschiedenissen en vooral veel erbarmelijke zielen worden besproken en bezongen. De kracht van de vertellingen huist in de verscheidenheid in vormgeving. illustratoren hebben allemaal hun eigen handtekening, de bijbehorende geluiden en stemmen verschillen sterk van elkaar, de toon is dan weer bloedserieus en dan weer luchtig en de ene keer is er sprake van een verteld verhaal, dan weer van een opus en tot slot is er het muziekstuk dat Arnold Veeman componeerde voor Spinbarg. Zijn muzikale vertaling De Dollard, de watersnood die een berucht laconieke dijkgraaf veroorzaakte, doet denken aan Paul Dukas’ stuk De Tovenaarsleerling , dat te horen is in de film Fantasia . Het wassende water heeft ook in Veemans compositie een duidelijke stem gekregen en is daarmee schrijnend actueel in het jaar waarin we de Kerstvloed van 1717 herdenken.    

 

Scholieren van het Noorderpoort College gaven gestalte aan een sage bij de Ennemaborg en Henk Scholte verleende met zijn warme stemgeluid medewerking aan dit tableau. Voor de nimmer wakende dialectpolitie: dat brengt het aantal Groningstalig verwoorde tableaus op twee. De keuze is uiterst plausibel, al roept het in het geval van de vertelling over de onschuldige Protestantse voortrekker Griet Koenes uit Munnekezijl een vraag op. Verteller De Groot leidt dit verhaal in met de aankondiging dat Griet de eerste uit de wijde omtrek was die godsdienstige liederen zong in haar eigen taal, in plaats van in het door de dan nog enige kerk repressief toegepaste Latijn. Daarop volgt een prachtig gezang van Hester Le Grand in het Nederlands, waarvan je je kunt afvragen of dat de ‘eigen taal’ was van een Munnekezijlster uit de zestiende eeuw. Marlene Bakker verzorgt met Bernard Gepken in iedere haven waar het schip aanmeert een speciaal optreden waarin de volksverhalen in het Gronings bezongen worden.    

 

Zo trok de Familietrouw de afgelopen tijd door onze provincie; als een vriendelijke Lorelei.


By Ingeborg 22 Sep, 2017

De vreugde die de nieuwe roman van Renate Dorrestein met zich meebracht werd overschaduwd door het tragische nieuws dat ermee gepaard ging: de schrijfster is ernstig ziek. In een gedetailleerd interview met De Volkskrant toonde Dorrestein zich nuchter, krachtig en wijs, precies zoals we van haar gewend zijn, en dat met een dosis introspectie die we bij veel politiek leiders jammerlijk moeten missen. Het verdict is onomwonden: één van Nederlands meest gelauwerde literaire schrijfsters heeft slokdarmkanker en ziet af van medische ingrepen.


Gegrepen door het lot van deze oersterke vrouw, realiseerde ik mij dat ik extra moest genieten van het lezen van wat misschien wel haar laatste roman zal zijn. Zodra de vertellende hoofdpersoon van Reddende Engel in het begin van het verhaal echter met een auto zonder brandstof en in het stikdonker de weg kwijtraakt op een Limburgse heuvel in een met vooruitwijzingen doorspekt stuk -  gedachten over verdwalen in verraderlijke mergelgrotten en legendes over bokkenrijders komen bijvoorbeeld langs – en een verkeerde afslag neemt om daarna in razend tempo naar beneden te storten en te belanden op het erf van een aftandse, spookachtige boerderij, weet je als lezer genoeg: je wordt in volle vaart meegesleurd in een echte Dorrestein en je zit er al middenin.


En een ‘echte’ Dorrestein, dat is het. Sinds haar romandebuut in 1983 was de schrijfster zeer productief, maar een aantal jaren geleden viel haar creativiteit ten prooi aan een tartend writer`s block. Hierover schreef zij De Blokkade (2013). Met haar stadsschrijverschap van Almere kwam het idee voor Weerwater (2015). Met deze roman, die we volgens Dorrestein geen dystopische mogen noemen maar daar dan toch sterk op lijkt, verwerkte ze kwellingen uit het verleden en keerde ze terug op haar troon als gevierd verteller met een stijl om van te watertanden. In het interview in De Volkskrant vertelt ze na Zeven Soorten Honger (2016) terug te willen keren naar het genre waarmee ze groot geworden is en waarop ze binnen de Nederlandse letteren het patent lijkt te hebben: dat van de gothic novel. Alles in Reddende Engel ademt die sfeer.


Hoofdpersoon Sabine is een veertiger die door haar man plotseling aan de kant geschoven wordt voor een ‘jonge Bambi’. Om haar verdrietige en kapotgehuilde hoofd een verzetje te gunnen, gaat Sabine onvoorbereid rondtoeren door Limburg. Het is haar werk om op landelijke locaties monumentaal erfgoed om te toveren tot Bed & Breakfasts en eenmaal haar schrik te boven ziet zij in haar stormachtige entree op het boerenerf een kans.


Zeer onwelkom blijkt zij en als een lichaamsvreemde stof wordt Sabine met enige vijandigheid uit het bijna organisch geworden familiebastion gedwongen. De omstandigheden beslissen echter anders en zo wordt Sabine door twee zusjes, Madeleine en Livia, onderdak verschaft in de verpauperde boerenplaats genaamd Oldenhage – de klankovereenkomst met ‘onbehagen’ lijkt geen toeval. Als Lockwood in the Wuthering Heights brengt zij de nacht door in de kamer van een inmiddels overleden vrouw – een ideale setting voor een gothic novel. Net als Lockwood beziet Sabine de zaken van buitenaf en wil ze zich de daaropvolgende dagen met flarden, hele leugens en halve waarheden een beeld zien te vormen van wat er zich aan schrijnende toestanden heeft afgespeeld op dat boerenerf.


In de plattelandsgemeenschap heerste een oude hiërarchie die nog sterk nawerkt. De aan de grond geraakte, oude landadel probeert zich in deze streek hoog te houden met status en naam, maar doet meelijwekkend aan als de gedegenereerde Metsiers van Hugo Claus. Maman, de hardvochtige, 96-jarige mater familias van Oldenhage, heeft zich niet omhoog getrouwd met een echte Gilissen om zich in te laten met zogenoemde kinkels. Reconstruerend komt Sabine erachter dat toen de stadse Alicia een aantal jaren eerder de opkamer – voel de dubbele lading – betrok als inwonende huishoudster, dit bij maman onmogelijk goed kan zijn gevallen, zeker toen bleek dat Alicia er andere zedelijke mores op na hield. Het dubbelgangersmotief duikt op: wordt Sabine na haar neergang van de heuveltop gezien als een nieuwe Alicia? Dat is niet te hopen, gezien de gevallen engel-verhaallijn rond de stadse blondine. Reden voor het disfunctionele gezin Gilissen om een rookgordijn op te trekken. Voor de woedende dorpsgenoten verworden zij tot verschoppelingen. De twee meisjes, hun vader en hun stokoude grootmoeder volharden in een ongemakkelijke status quo die voor niemand in het gezin goed lijkt uit te werken – behalve hooguit voor maman. Volgens haar moet je dieren geen namen geven, omdat je je dan aan hen gaat hechten. Binnenshuis is zij al jaren van haar ware naam ontdaan, maar daarbuiten kent men haar nog altijd als Adelheid.

“Adelheid vond haar niet alleen een sloerie, maar ook een golddigger. Zo iemand die zich via het bed omhoogwerkt, weet je wel. Adelheid zag haar al aan de haal gaan met Oldenhage. Zo`n beetje zoals zij het destijds zelf had aangepakt. Misschien deed Alicia haar wel te veel aan zichzelf denken. Daar zat ze niet op te wachten.”

Dat Alicia Adelheid aan zichzelf deed denken is niet zo vreemd in dit boek dat bol staat van de symboliek. Alle vrouwelijke hoofdpersonen hebben heiligennamen: Sabine, Madeleine, (O)livia, Adelheid en… Alicia is een variant van Adelheid. De titel Reddende Engel is eerder onheilspellend dan voorspelbaar ondubbelzinnig en als lezer word je voortdurend op het verkeerde been gezet door de nukken en zachtaardigheden van de betreurenswaardige zusters Gilissen.


Meelezend met Sabine observeer je de loop der dingen, maar mis je nog meer. In haar hoofd is ze immers nog steeds bezig met pogingen haar trouweloze ex versteld te doen staan, al lijkt hij haar vooral te zien als ballast uit een vroeger leven. Dankzij korte passages waarin het perspectief bij andere personages ligt, kom je er als lezer toe telkens meer kennishiaten te dichten. Dorrestein bouwt op deze manier de spanning vakkundig op.  


In een aantal opzichten spiegelt dit laatste boek haar eerste roman Buitenstaanders . Ook daarin raakt een auto van het gebaande pad en belanden de inzittenden daardoor in een gemeenschap die hen vreemd is en waar ze niet zomaar weer weg zullen komen. Hechte, kibbelende zusjes; mysteries en geheimen binnen een gesloten gemeenschap; vrouwelijke aftakeling en het mannelijke onbegrip dat dit opwekt; verwaarlozen, verzorgen en verzorgd worden; bloedverwantschap; opofferingsgezindheid; verwerken en wegstoppen; kinderlijke wreedheid; kinderloosheid en het gemis van een moeder: het begon in Buitenstaanders en deze reeks motieven werd voortgezet in vele romans als Het Hemelse Gerecht; Zolang er Leven is; Het Duister dat ons Scheidt; Verborgen Gebreken; Mijn Zoon heeft een Seksleven en ik lees mijn Moeder Roodkapje voor en zo verder. Renate Dorrestein heeft geen recensies nodig om blijk te geven van haar meesterschap. Toch wil ik haar zo graag nog één keer laten voelen hoezeer ze wordt gewaardeerd in de letteren. Ingeborg Nienhuis  

 

Renate Dorrestein, Reddende Engel (2017). ISBN 978-90-5759-860-9, 253 pagina’s, €19,99. Amsterdam: Uitgeverij Podium .


By Ingeborg 29 Aug, 2017
Gisteren hebben we onder een heerlijk zomerzonnetje de Groninger Paarden mogen demonstreren in het Stadspark tijdens Groningens Ontzet, werd het eerste exemplaar van 'De Groningin' overhandigd aan politicus en paardenkenner Henk Bleker, mocht ik aanschuiven aan tafel in de studio van RTV Noord om erover te praten en was er `s avonds het Bommen Berend Boekenbal hier op het erf. Wat een Peerdespul!

En vanochtend... werd ik al een paar keer gebeld over bestellingen van het boekje. Wauw!!! Wie ook graag een exemplaar (voor slechts een tientje) wil bemachtigen kan een mailtje sturen naar ingetekstueel@hotmail.com

Nu ga ik een paar dozen boeken inladen en met de vlam in de pijp naar verschillende boekhandels in de provincie voor de distributie. Winschoten, Vlagtwedde, Uithuizen, Leens, Zuidhorn, Stad en vele anderen... Ik kom eraan!
By Ingeborg 29 Aug, 2017

Een aanleunwoning, Noord-Groningen


"k Heb oap zain." Even blijft het stil. "Wat hebt u gezien, mevrouw?" De oudere dame legt het uit. "Inainen is dokter t roeg ien de kop worden. Juffraauw, k heb joarenlaank bie dizze dokter touholden, mor nou wi'k nlaanger." Zij knikt.

"U wilt graag ingeschreven worden bij een andere huisartsenpraktijk, vertelde uw dochter. Kunt u aangeven wat daarvan de reden is?" De dame probeert het nog eens. "k Was aaltied best te bruken over dokter, mor sunt n moand of wat dragt er haile vrumde jaskes, gaait er noar disco maank t jonkvolk en komt er tegen mörgen weer thoes. Doen. En non het er zien hoar vaarfd. t Is gain kiek geliek! Dat, ik heb oap zain." "U hebt...?" "Ik heb oap zain."1 "Juist."

1 In het Nedersaksisch en het Fries kan een aap verwijzen naar een smak geld, maar in deze context wordt er een echte aap bedoeld. Als je spreekwoordelijk 'aap hebt gezien' ben je ergens sterk op afgeknapt. Aanduidingen met 'oap(e)' zijn zelden complimenteus. 'Oapegrond' is bijvoorbeeld slechte grond waarop niets wil groeien en in Ter Laan duikt 'oapeding' op als een waardeloos voorwerp.


By Ingeborg 12 Aug, 2017
Op 28 augustus wordt het Groninginneboek gepresenteerd! Prelude en ik hebben de eer op een passende locatie het eerste exemplaar van ons boek te overhandigen aan een Bekende Groninger. We zien ernaar uit en nadere informatie volgt zo spoedig mogelijk :)   Foto: Frank de Schutter
By Ingeborg 26 Jul, 2017

Een lang geleden van het toneel verdwenen moeder; een verwarde, stokoude vader die zichzelf het liefst uit het leven zou willen goochelen; een jonger zusje in haar ontluikende puberteit en een verlatingsangstige hond genaamd Leo: de zeventienjarige Bas Jan krijgt wat voor zijn kiezen. Veel last lijkt hij niet te hebben van deze ongebruikelijke thuissituatie. Nu hij met zijn heldere hoofd geslaagd is voor het gymnasium en zijn talenten wil verfijnen aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, is het voor hem als plaatsvervangend pater familias echter niet eenvoudig om zich los te maken.

Wanneer hij auditie moet doen voor de toelatingscommissie voor de Academie, besluit hij zijn vader, zusje en hond dan ook maar mee te nemen. Die volksverhuizing dient een tweeledig doel, want vaders achterland ligt deels nabij Wassenaar en Bas Jan hoopt met behulp van een in Den Haag achtergebleven oom de hiaten in het verschrompelende vaderverstand te kunnen vullen. Eenvoudig is die onderneming niet, want vader is bang voor snelheid en ook Leo heeft zo zijn fobieën. Bas Jan bouwt - weinig vernuftig - een tandem met een aanhanger en fietst met dit reizende gezelschap van het oosten naar het westen.

Niet alleen voor wat betreft deze schets van een disfunctionele familie, maar ook gezien de stijl doet dit werk denken aan 'The Hotel New Hampshire' van John Irving. In dat boek eveneens volop drama en Bildung in een origineel literair werk en dat op geestige wijze verteld door een zoon in het verhaal.

De vader van Bas Jan was in vroegere tijden een groot goochelaar; het talent van zijn zoon is dat hij kan vallen als geen ander. De protagonist is gebaseerd op de in 1975 tijdens een vaartocht - die als doel had de Atlantische Oceaan over te steken - verdwenen artiest Bas Jan Ader, die het vallen tot een kunstvorm verhief. Zijn achtergrond is sterk gefictionaliseerd: Ader zelf was het kind van verzetsstrijders en predikanten uit het Groningse Winschoten. Diens fictieve pendant groeide op in het oosten van het land, waar ook de schrijver van de Valkunstenaar zijn jeugd doorbracht. De tijd waarin de Bas Jan in het boek leeft, lijkt daarmee in harmonie. Net als in de schoolgesitueerde boeken van Siebelink lijkt het verhaal zich verder in het verleden af te spelen en pas wanneer het eerste mobieltje in het verhaal opduikt merk je dat de begrijpelijk vroegwijze, iets ouwelijke hoofdpersoon zich in de 21e eeuw met zijn karavaan door het landschap beweegt.

 

Het bezoek aan Den Haag brengt antwoorden met zich mee en mogelijkheden om een jeugd af te sluiten. Peppelenbos creëert zo op toegankelijke wijze een hoofdpersoon die je ieder moment door je straat kunt zien fietsen – berekenend hoe hij het beste zijn landing kan inzetten. Wie bang was dat er nooit meer een Joe Speedboot-eske avonturenroman aan de canon zou worden toegevoegd kan gerust zijn: die is er bij dezen. De Valkunstenaar beschrijft een queeste waarin het contrast wordt gezocht tussen geregisseerd en abusievelijk vallen; de bijsmaak van Gauloises en de textuur van een piercing; van vasthouden aan familieverantwoordelijkheden en het loslaten ten behoeve van een nieuwe start.


Ingeborg Nienhuis

By Ingeborg 08 Jul, 2017

Met sommige mensen mag je geen medelijden hebben, zo lijkt de algemene opvatting te luiden. Staatssecretarissen, presentatoren van goed bekeken praatprogramma`s, populaire popzangers… Gezien het loon dat gepaard gaat met hun leven onder de microscoop moeten ze ook niet piepen wanneer ze daar, onder dat vergrootglas, een keer een uitglijder maken.


Desalniettemin had ik deze week te doen met Jetta Klijnsma. Ze had al niet de gemakkelijkste portefeuille en nu werd ze op de valreep, want demissionair, in een talkshow ook nog gecornerd door drie publiekslievelingen die haar sociale experiment niet zagen zitten. Toegegeven: het is niet voor niets een experiment. Inhoudelijk wil ik dan ook niet ingaan op die pilot en de stellingname van Klijnsma enerzijds en Jinek, Boomsma en Smit anderzijds. Daar is al veel over gesproken. Wat me vooral opviel was de manieren waarop zij zich verwoordden.


Klijnsma is een ervaren politica die voor hete vuren heeft gestaan. Ze staat heus haar vrouwtje wel, maar ze moest er toch even flink tegen praten. Jan Smit, Volendammer in hart, nieren en politieke voorkeur, wond zich duidelijk op. De manager van Smit zat op dat moment mogelijk met samengeknepen billen een politiek correcte reactie te souffleren naast Eva's autocue, want we weten allemaal wat er gebeurde toen hem bij Barend en Van Dorp destijds gevraagd werd wat hij op 4 mei om acht uur 's avonds deed – over uitglijden onder een vergrootglas gesproken.


Smit begon heviger te gesticuleren en liet minder stiltes vallen, om zijn relaas te kunnen volbrengen. Klijnsma bleef rustig. Ze vond het ‘een tikkie te kort door de bocht’. "Je komt niet maarzo in de bijstand..." Sprak ze onder meer. Op het moment dat ze het even moeilijk kreeg, greep de geboren Hoogeveense, die studeerde in Stad, terug op een talig gebruik van haar geboortegrond, waar constructies als 'middendeur' als vertaling van 'doormidden' en 'morzo' als dialectische tegenhanger van 'zomaar' gebruikelijk zijn. Ook Jan Smit hoorde ik sterk leunen op de uitspraak zoals die gangbaar is in zijn regio. De v voor een a of o aan het begin van een woord klinkt bijvoorbeeld bijna als een w (taalkundig gezegd: als een stemhebbende labio-velaire approximant, in plaats van als een stemhebbende labiodentale fricatief) en zo klonk Smits ‘verdienen’ bijna als ‘werdienen’ en ‘vakgebied’ als ‘wakgebied’, terwijl de v vooraan in ‘vinden’ weer bijna stemloos werd: ‘finden’. Beide tafelgenoten van Jinek onthulden in hun discussie zo veel over de regio waarin zij talig werden gevormd.


Zich verbazend over de storm van verontwaardigde reacties schreef Smit overigens nog een nuancering op Instagram. Mogelijk enigszins geëmotioneerd, want ook in ‘Wolendam’ dobbert t ex-kofschip geduldig in de haven.


Fragment uit de nuancering op Instagram: (“…In mijn optiek is bijstandshulp bedoelt voor zieke mensen, mensen met een handicap, mensen die gedwongen ontslagen zijn, mensen die om psychische of lichamelijke redenen niet meer kunnen werken, alleenstaanden met kinderen die het hoofd niet boven water kunnen houden óf mensen die aan kunnen tonen dat ze zonder extra hulp niet kunnen overleven!...”.


Verwijzingen :
- Jinek gemist: https://www.npo.nl/jinek/KN_1676589


- Jan Smit op Instagram: https://www.instagram.com/p/BWKqjzqhI1l/?taken-by=jansmitcom

- Over de v en de w in IPA: https://nl.wikipedia.org/…/Stemhebbende_labiodentale_fricat…

By Ingeborg 23 Jun, 2017
Een verfrissend originele onderzoeksvraag van twee jonge gymnasiasten: ‘Hoe verklaren Groningers elkaar de liefde?’
“Niet”, antwoordden de vriendinnen die ik ernaar vroeg, maar daarover verderop meer.

Dat het Gronings geen taal is die meteen de associatie oproept met bronstig gefluisterde woordjes kan nagenoeg iedere spreker ervan beamen. Het team dat de Bijbel vertaalde naar (de) Biebel worstelde zo af en toe met de directheid en het onopgesmukte van onze streektaal. Maar elkaar de liefde verklaren, dat doen Groningers toch wel?

Groningsdag 2013: liefde als thema
Een aantal jaren geleden was ‘Laifde’ het thema van de Dag van de Groninger Taal1. Er werd onder meer een poëziebundel gepresenteerd met 90 Groningstalige liefdesgedichten uit de voorgaande dertig jaar. “Er wordt wel eens gezegd dat Groningers zich moeilijk uiten over de liefde. Het programma van de Dag en de liefdesbundel bewijzen het tegendeel; In Groningen beleeft men de liefde zoals overal ter wereld.” Luidt een citaat uit het begeleidende persbericht. In de bij de dag behorende Moi – het tijdschrift dat verbonden is aan dit jaarlijkse culturele hoogtepunt van de Groningse streektaal – staat bol van de beschouwingen, onder meer over de liefde.

Poëzie
Deze bewuste bloemlezing heeft dus de liefde als thema, maar dat is beslist niet het Leitmotif in veel Groningstalige literatuur. Als reactie op een oude traditie waarin de verheerlijking van Groningen en het Gronings, het liefst van vroegere tijden, het voornaamste thema vormde, ontstond in de tweede helft van de twintigste eeuw een tegenbeweging die afkerig was van onderwerpen die hen zoetsappig leken. Er vond een herijking plaats waarbij thematiek en versvormen kritisch onder de loep gelegd werden – al waren er buiten de mores van het literaire tijdschrift Krödde dichters te over die niet met die golfbeweging meevoeren.2

Muziek 3
Meer dan het gros van de hedendaagse Groninger gedichten, geven songteksten van veelgehoorde artiesten blijk van een bepaalde amoureuze voorkeur. Ze hier allemaal opsommen is ondoenlijk, maar om een idee te geven hierbij een aantal voorbeelden.

Voorwerpen, abstracties of gebeurtenissen worden gekoesterd en bezongen: 'Mien olde puch' en 'Cadillac', beide van Sijtse Scheeringa, ‘Leef het leven’ van Erwin de Vries, ‘Doen ien Oskerd’ van Jan Veldman, de ‘Lopster toren’ en ‘De Lidl’ van Rooie Rinus & Pé Daalemmer – in het tweede voorbeeld binnen de formatie De Bende van Baflo Bill – en zelfs een lofzang op dames door heel Groningen van Pé & Rinus. Zeker bij Veldman en laatstgenoemden zijn zulke lofzangen vooral ‘cabaresk’ en ironisch, zoals veel binnen hun oeuvres.

Hoewel loftuitingen nogal eens zijn gewijd aan plaatsen of streken (om er een paar te noemen: ‘De Groanrepubliek’ van Alex Vissering, ‘Wondern van mien stee’ van Marlene Bakker, ‘Mien Grunneger Stad’ van Arnold Veeman, ‘Laand woar ik geboren bin’ van Klaas Spekken en ‘Op Stee’ van Harry Niehof) zijn er daarnaast ettelijke Groningse liedjes als eerbetoon aan een geliefde. En hoe zijn die liefdesverklaringen dan van aard? Blijkens 'Ik mag die aibels geern' van Wia Buze, ‘k Mag die geern’ van Eltje Doddema en 'Wies mit die' van Henk Jan de Groot op z`n 'nuchter noorderlings': niet alle registers gaan open om het object van affectie te roemen en aan heel bombastisch doen we hier niet. Als de liefde langskomt in Groningse songteksten is dat nogal eens en passant: ‘Zundagmörgen’ van Swinder en ‘Julia’ van Edwin Jongedijk. ‘Trilploat’ van Wat Aans! focust meer op één specifiek onderdeel van de lustbeleving.

'As t boeten störmt' van Ede Staal is al iets ouder, maar nog actueel als cover van Marlene Bakker. Ingetogen en episch, wederom zonder te zoet te worden. 'Laifste' van Wia Buze en geschreven door Jan Henk de Groot benoemt de dagelijkse geneugten van het samenleven. ‘Doe’ van Erwin de Vries is een milde ode aan een geliefde.

‘Mien Lutje Laif’ van Arnold Veeman en Jan Siebo Uffen is emotie in woord en muziek, waarvan Veeman te kennen gaf dat het geschreven werd voor zijn kinderen. ‘Sayonara’ van Burdy is liefdes(verdriet)lied en de cover ‘Òfschaaid’ van Marlene Bakker en Edwin Jongedijk en het op muziek gezette gedicht ‘Joapke Jong’ van Eva Waterbolk zijn eveneens romantisch en gevoelig.

Ze zijn er dus, die gezongen liefdesverklaringen! Teleurstelling in (de context van) de liefde is er in het Gronings echter ook te over, als we zo luisteren naar bijvoorbeeld ‘Poolse bruid’ van Bert Hadders, Bonnie Boonstra & De Nozems, ‘Grunneger Wicht’ van Erwin de Vries, ‘Lola’ van Bert Hadders en de nozems en ‘Hee doe’ van Rooie Rinus & Pé Daalemmer.

Obsessieve of zelfs demonische liefde is het Gronings evenmin vreemd: in Burdy's 'De vissers van Zoltkamp' komt een schip dat in de vissersnetten een zeemeermin aantrof - kennelijk zo'n monsterlijke halfvis uit de Sirenenfabriek die ook Odysseus' schip op de klippen dreigde te laten lopen – nooit meer terug van zee en ‘De Knoalster Lorelei’ van Geert Teis verhaalt over een jongeling die het hoofd op meer dan één manier verliest bij het horen van het misleidende gezang van de blondgelokte deerne. De Lorelei werd muzikaal uitgebracht door Henk Scholte van Törf, Bert Ridderbos en Linde Nijland. Het project Spinbarg brengt ten slotte Groningse volksverhalen in woord en gezang ten tonele en tot deze verhalen behoren verschillende lugubere liefdesgeschiedenissen.4

Uit de kunst
“Mien laive stumper/ katmui/tied/…” mag dan een veelgehoorde uitroep zijn in het Gronings, als het gaat om het ophemelen van hun geliefdes binnen relaties valt het woord laif aanzienlijk minder vaak, aldus de door mij ondervraagden. Hoe verklaren Groningers elkaar de liefde? “Niet”, antwoordden de vriendinnen die ik ernaar vroeg dus. In hun ogen was berusting te lezen, doch een zweempje teleurstelling dacht ik eveneens te kunnen bespeuren. Hoe was dat dan zo gekomen, met die partners van hun? Die relaties ‘ontstonden gewoon’, verklaarden ze (wellicht is het niet handig om vriendinnen door te zagen over wat zij daar expliciet mee bedoelen), maar woordelijk benoemd werden de gevoelens zelden. Sterker nog: de dames die ik ernaar vroeg zouden het atypisch en enigszins ongemakkelijk vinden wanneer hun partner plotseling veranderde in een analytisch-romantische figuur. Vriendinnen foeteren soms op hun a-romantische mannen (“Schrijf ik een heel lief appje, krijg ik geen antwoord of, op z`n best, een berichtje terug met “Ok”. Nou jaaaaa!”), maar zouden zich bezorgd voelen wanneer zij ineens wel attent cadeautjes zouden krijgen van hun liefjes.

En andersom? De Groningse dames zijn uitgesprokener in hun liefdesbetuigingen, zo blijkt uit mijn micro-onderzoekje. Binnen de heteroseksuele stellen geven de meeste dames aan dat zij, zeker in de proloog van hun relatie, veel meer benoemden dan hun partner. Hun vrienden regisseerden, zij registreerden. Sturen deden veel vriendinnen wel. Van deze stellen spreekt niet iedereen Gronings met elkaar binnen de relatie, al lijkt dat voor de beoordeling niet uit te maken. Is er binnen ‘Groningse’ relaties dan meer communicatie tussen de regels door? Alle vriendinnen beamen dat.

♂♂
De vrienden in homoseksuele relaties die ik vroeg lijken explicieter in hun verbale liefdesverklaringen, al bedriegt schijn in dezen: één rondje over de Zuidlaardermarkt met vriend X en hij wist feilloos aan te wijzen welke bezoekers van de herenliefde waren en zelfs welke adolescent nog worstelde met zijn duidelijk homoseksuele geaardheid. Kortgezegd: ik lette op paarden, hij niet zozeer. Er worden heel wat blikken gewisseld, wenkbrauwen opgetrokken en lachjes toegeworpen. De non-verbale communicatie tiert er welig. “Maar ik loop toch naast je?” Probeerde ik nog. Not a chance: niemand van de herenliefde zou erin trappen dat hij bij mij hoorde.

En het volgende stadium? Hoe verlopen de liefdesverklaringen binnen relaties? Dat verschilt per partner. Iemand die onlangs uit de kast kwam is nogal stroef in zijn betuigingen, aldus mijn bron, andere eega`s zijn hartstochtelijker. Dit deel van het micro-onderzoekje is echter zelfreflectief, want, pech voor mij: in geen van de relaties is de eega een Groninger.

Huwelijksaanzoeken
Met welke bewoordingen gingen de huwelijksaanzoeken van de getrouwde stellen gepaard? Van de geïnterviewde stellen is er één bij van wie het aanzoek in het Gronings ging. En daarover kan de bruid kort zijn: dat was ‘eigenlijk niet echt’ een aanzoek. Niet? “t Mos mor es wezen, nait?” Waren de exacte woorden die ze kon oproepen.

De omgeving waarin het aanzoek plaatsvindt is in de meeste gevallen weinig spectaculair. ‘Aan de keukentafel’, ‘in bed’ en ‘op de fiets’ (bijna een eenzijdig ongeluk veroorzakend – was het toch nog spectaculair geworden) komen langs. Uitzonderingen zijn er ook: tijdens een concours hippique werd eens een dame, ten overstaande van minstens tachtig ruiters, ten huwelijk gevraagd door een haar welbekende parachutist en dat stel praat tot op de dag van vandaag Gronings met elkaar. Een andere kennis werd op haar favoriete Waddeneiland verrast met een aanzoek via flessenpost. ‘Onder een waterval op vakantie’ en ‘in Hydepark Londen; mijn favoriete stad’ worden ook genoemd. Die Groningers kunnen het dus best, dat romantisch zijn.

Wat opvalt is dat bij de meeste getrouwde heteroseksuele stellen de vrouw al geruime tijd voor het aanzoek aangaf te willen trouwen, alleen maar kinderen te willen als ze getrouwd was of alleen mee te willen verhuizen of zelfs emigreren na een huwelijksvoltrekking. Eisen aan het aanzoek werden ook nog regelmatig gesteld: de liefdesverklaring als pressiemiddel!

In een enkel geval (aanzienlijk minder vaak) vroeg de vrouw de man en dan in een bijpassende locatie: in een theehuisje bij een Groninger borg, bij een boom met een speciale geschiedenis of in een helikopter boven een zekere rivier.

Man of vrouw: in de meeste gevallen kwamen ingestudeerde volzinnen bij een aanzoek spontaan te vervallen vanwege wederzijdse spanning. “Aaaaach toe nou, je weet toch wel wat ik wil vragen?!” Spant de ri… kroon.

Huwelijk en toneel
De suggestie dat trouwen belangrijk lijkt, wordt gevoed door de rijke traditie aan amateurtoneel in Groningen en het Gronings. Veelal kluchtige stukken zijn het die jaarlijks worden opgevoerd na een winter repeteren, en waarin nogal eens minimaal één verhaallijntje zit over een potentieel stel dat in eerste instantie (vanwege standsverschil, inkomensverschil, leeftijdsverschil of volstrekt contrast in karakters) weinig overeenkomstig heeft, om op de valreep van inzicht te veranderen om dan te besluiten tot een huwelijk. Het huwelijk lijkt hierbij het summum: een elementaire daad die tot het hoogst haalbare behoort. Deze visie strookt, paradoxaal genoeg, niet met het ingedutte stel (kijvende vrouw, lethargische man, blank, middelbare leeftijd, arbeidersklasse) dat in nagenoeg iedere Groningse klucht eveneens opduikt.

Hoe dan ook: de beslissing van het jongere of jeugdiger stel om in het huwelijksbootje te stappen lijkt vaak weinig natuurlijk. De één was al gecharmeerd van de ander, maar de ander moest lange tijd niets van de één hebben; de twee konden elkaar niet luchten of zien of het is nog dramatischer: er was een schijnbaar onoverkomelijke kloof vanwege een familievete. In plaats van een natuurlijk toegroeien naar elkaar, lijken de latere huwelijkspartners als bij toverslag tot verandering van amoureuze voorkeur te komen. Zelfs een deus ex machina komt er niet altijd aan te pas. De liefdesverklaringen die we op het podium geuit horen worden komen veelal van de mannelijke helft van het stel en zijn dikwijls onbeholpen van aard.

Goedbedoeld, maar enigszins ongelukkig geformuleerd zijn die liefdesbetuigingen met regelmaat. Om al te expliciete uitingen te omzeilen wordt er grif gebruik gemaakt van metaforen (de term 'brommers kieken' is niet voor niets streektalig). "Zolst n moal mit mie mitgoan willen noar Zuudloardermaart?" is bijvoorbeeld zo`n vraag uit een toneelstuk: een vraag die vervolgens wordt geïnterpreteerd als een voorportaal voor een levenslange alliantie en zo ook bedoeld lijkt. "Ik wol mit die ook wel ais noar Paries" - veel gekker wordt het niet.

Niet in alle gevallen krijgen we als publiek de liefdesverklaring echter te horen, want deze vallen nogal eens buiten de registratie van het publiek. In veel gevallen komt een dergelijk stel - te elfder ure, als veel andere verhaallijntjes zijn afgerond - in medias res uit een kast of met een openvallende deur de plaats van handeling binnenrollen met verward haar, verkeerd vastgeknoopte kleding en overmatige lipstick op onverwachte plaatsen. De kracht van de scene zit hem in het verrassingseffect (is dat er nog, bij zo`n formule?) van de twee tegenpolen die elkaar, o hilariteit, op hartstochtelijke wijze weten te vinden.

Lijkt dit iets al te onbeholpen om realistisch te kunnen zijn: dat laatste valt nog te bezien. Natuurlijk komen alleen de excessen ter sprake tijdens een theetje en een wijntje, maar tot welgemeende complimenten en verkapte liefdesverklaringen van Groningers behoren onder meer: "Doe bist t nuverste wichtje van t haile dörp" (bij een inwonertal van hooguit duizend), "k Mog altied geern noar joe kieken, veul laiver as noar meneer X" (oud-leerling verklaart dat hij zijn lerares van toen 26 prettiger vond om naar te kijken dan zijn leraar van 54...) en dan mijn persoonlijke favoriet: "Magst mie nog n beetje lieden?" "t Kon minder." Nooit te veel van je gevoelens weggeven, is duidelijk het devies.

Om Boer Marc uit het laatste seizoen van Boer zoekt Vrouw (geen Groninger - al studeerde hij in Stad - wel geheel conform de 'weinig spreken en boodschappen communiceren middels ongemakkelijke orakelteksten'-formule) te citeren: " ‘Denk je dat je het leuk vindt om misschien… nog een mango te plukken?" (zijn lach, de twinkel in zijn ogen en het gemier met de tak suggereren iets anders), waarna er gezoend wordt met Annekim, het pleit beslecht blijkt en de rivale gewekt wordt uit een middagdutje om haar samen, als kersvers stel, de bons te geven.

Stukjestraditie
In een tijd waarin het sluiten van huwelijken heel gebruikelijk was, bestond er een rijke traditie in het opvoeren van ‘stukjes’. Voordrachtskunst beperkte zich toen nog niet tot één kanaal; dit was meer ‘Youtube avant la letre’. Sedert de Renaissance kennen de Nederlanden zogeheten rederijkerskamers. Leden van rederijkerskamers voerden op speciale avonden stukjes op die ze opdroegen aan de ‘Prince’; de preses van de kamer. Lieden die hier goed in waren, gingen op tournee met hun voordrachtkunst om voor een gretig publiek hun verhaal te doen.
Zo ging het ook met die bruiloftstukjes: zulke sketches en liedjes werden voorgedragen tijdens een huwelijksfeest en stukjes die goede kritieken oogstten werden verzameld en keer op keer opgevoerd. Nog steeds leeft die traditie voort op huwelijkspartijen en jubileumvieringen en nog altijd zijn Groningstalige stukjes met een geestige ondertoon populair. Schuttert een spreker te lang voor aanvang van zijn conference dan klinkt er uit het – veelal beschonken – publiek iets als “Wordt t nog wat of wordt t niks?” Fré Schreiber verzamelde en bundelde zulke sketches en liedjes onder de titel ‘Dij spreker’ 5 en zelf heb ik een ‘Grunneger Laideboukje’ uit 1936. 6 Veel ervan gaan over de liefde en het huwelijk, dat zal niemand verrassen.

Weinig expressief of onbeholpen
“Doe bist mien speklap, mien laiverd”, zong Henk Wijngaard. Een Gronings koosnaampje is, volgens opdrukken op een lijn met kantoorartikelen die rond 1993 uitgegeven werd, ‘sukkerknailduveltje’. Kortgezegd: de vonken spatten er nu niet direct van af. De meeste van de genoemde voorbeelden onderschrijven dit beeld. Sinds het abele spel ‘Lanseloet van Denemerken’ is er in sommige opzichten weinig veranderd. De goedaardige ridder met wie de heldin van dat verhaal uiteindelijk gelukkig wordt, verwoordt zich weliswaar onbeholpen (“Ic hebbe u liever dan een everzwijn”)7, maar is bij benadering vele malen nobeler dan de gladde prater die haar aanvankelijk de bedstee in kwebbelde.


Noten:

1 Vooraankondiging Dag van de Groninger Taal 2013: https://www.huisvandegroningercultuur.nl/...

2 ‘Onkruud vergaait nait. Een onderzoek naar tendensen binnen literaire streektaaltijdschriften.’ (2005), Ingeborg Nienhuis

3 Veel van de beschreven liedjes zijn verkrijgbaar op CD of via een streamingdienst. De meeste ervan werden onder meer gedraaid in het muziekprogramma ‘Twij deuntjes veur ain cent’.


5 ‘Dij Spreker’ (2016), Fré Schreiber: http://www.uitgavennoordgroningen.nl/...

6 Grunneger Laideboukje (1936). Oetgeven in opdracht van de Alg. Verainen "Groningen"

7 Een frase uit de Lanseloet op de website van het Alfasteunpunt: http://www.rug.nl/education/scholie...

By Ingeborg 31 May, 2017
Groningen/ Zoetermeer De gecommitteerden waren het erover eens: het opstel dat de leerling had geschreven tijdens het Centraal Schriftelijk Eindexamen Nederlands verdiende een cijfer dat de classificatie 'ruim voldoende' oversteeg. Ze sloegen allebei aan het tellen: aan welke criteria was de leerling tegemoetgekomen en welke punten waren wat zwakker uitgewerkt? Kwam het cijfer uit op een 'goed' of werd het opstel zelfs gewaardeerd met een 'zeer goed'? Voor spelling en interpunctie hoefde slechts 0,3 punt van het uiteindelijke bruto cijfer te worden afgehaald, dus dat was eenvoudig om over op één lijn te komen.

Tegenwoordig wordt er stevig geklaagd over het CSE Nederlands voor met name havo en vwo. Terecht, want leesvaardigheid zegt weinig over het taalgevoel van een tiener. Zo`n examen is niet een finalewerk waarnaar scholieren jaren toewerken en die alle deelvaardigheden van het vak test. Daarbij zijn de teksten regelmatig voor meerdere lezingen te vatten en de vragen ambigu, wat haaks staat op het exacte karakter van het beoordelingsmodel. De meeste docenten Nederlands in het voortgezet onderwijs zijn het er daarom over eens: weg met de eindtoets in deze vorm!

De vraag blijft echter: wat moet er dan voor in de plaats komen? Eind jaren negentig bestond het examen nog uit een toets leesvaardigheid en een toets schrijfvaardigheid. En hoewel er ook veel op af te dingen valt op die vorm: een opstel toetst beslist verschillende vaardigheden en vereist van de leerling bovendien meer eigen inbreng. Het probleem hierbij is echter dat het, ondanks zorgvuldig uitgekiende correctiemodellen, voor twee docenten vaak lastig is om op één lijn te komen qua beoordeling. Smaak speelt namelijk ook een rol: wat de één een prachtig verhaal vindt, is voor de ander bombastische edelkitsch.

In het bovenstaande geval van jaren geleden speelde dit debacle geen rol van betekenis, want de docenten uit de twee verschillende delen van het land waren het erover eens dat de leerling in kwestie de paar uur van het examen goed benut had door een sterk verhaal te schrijven met spanning en gelaagdheid en dat in een onderhoudende schrijfstijl.

De gecommitteerde uit Zuid-Holland brak zich echter het hoofd over een frase uit de tekst van die leerling van het scholengemeenschap in Groningen: "Over een dwars personage schrijft ze dat hij niet 'om het lijk' wil. Om het lijk! Wat is dat voor een lugubere uitdrukking?" De collega uit het noorden grinnikte. Zijn van huis uit Groningstalige leerling had de Groningse uitdrukking 'nait om t liek willen', waarbij ‘liek’ niet vertaalbaar is met ‘lijk’ maar met ‘gelijk’, onterecht opgevat als rechtstreeks vertaalbaar naar het Nederlands. 'Geen concessies willen doen/ niet in het gelijke willen komen', zoiets betekent dat. De docent was bereid iets van het cijfer van zijn leerling te halen. Desondanks kwam ze voor dit onderdeel nog steeds uit op een mooie negen en hij wist dat ze daar blij mee zou zijn. Een beetje compensatie was wel nodig, daar ze bij wiskunde beslist ‘nait om t liek wol'.
More Posts
t Greunenkriek is voor wie zich rijk voelt in het Gronings(e).

By Ingeborg 15 Oct, 2017
Berichten over Frankrijk en Duitsland kwamen ons al wel ter ore, maar nog niet eerder zette onze Groningin hoef aan wal aan de andere kant van de Atlantische Oceaan! Momenteel reist ze door Canada, gechaperonneerd door de familie Kramer.

De afgelopen anderhalve maand zijn er ettelijke boekjes verkocht met vijftien avonturen verspreid door de provincie Groningen en een historisch overzicht van het Groninger Paard. Op 14 locaties in de provincie is De Groningin verkrijgbaar voor een tientje. Wilt u het laten toezenden? Ook dat is mogelijk. Mail in dat geval uw gegevens naar Ingetekstueel@hotmail.com
By Ingeborg 15 Oct, 2017

Mijn vierdeklassers heb ik onlangs een leesautobiografie laten schrijven; hun leesgeschiedenis, compleet met favoriete verhalen en boeken(reeksen). Dit is een fraaie nulmeting voordat ze gaan lezen voor het literatuurdossier. Wat bij het lezen van zulke leesbrieven iedere keer opvalt, is welke indruk sprookjes en volksverhalen achterlaten bij jonge luisteraars – en latere lezers. Zelf kan ik me de fascinatie voor sprookjes, fabels en volksverhalen nog goed herinneren. Dat is ook niet zo gek, want Groningen barst van de volksverhalen. Aagt van Ainrom die naakt door de kerk moet om haar eigen land te verdienen; Stommelsteert, ofwel de borries van Rottum die als hellehond mensen de stuipen op het lijf jaagt en vooral veel sprookverhalen over zeemeerminnen en andere boosaardig verleidelijke vrouwen – die ingebedde misogynie zit diep –; er is genoeg te lezen uit de eigen streek voor een Groninger volksverhaalliefhebber.    

 

Tot mijn geluk werd er tijdens mijn studietijd een bijvak aangeboden dat Orale Literatuur heette en gegeven werd door Jurjen van der Kooi – het woord ‘kenner’ is in dezen een schandelijk understatement. Ieder college regende het gruwelijke sagen, smakelijke broodje aap-verhalen en Freudiaanse betekenissen van ogenschijnlijk onschuldige sprookjes. De vertellingen werden ons door de begeesterde docent om de oren geslingerd op de vroege maandagochtend. Van sommige vakken is het jammer dat de bijbehorende colleges maar een periode lopen. Gelukkig was de aanschaf van Van der Koois in 2003 verschenen boek Van Janmaanje en Keudeldoemke verplichte kost en viel er  ook na het afsluiten van het bijvak nog één en ander te ontdekken. Over Groningse volksverhalen heb ik daardoor in de loop der jaren aardig wat lesmateriaal gemaakt.

 

Dit jaar vaart het oudste binnenschip van de provincie, De Familietrouw van het Veenkoloniaal Museum, door de provincie om een grimmige potpourri van Groningse volksverhalen aan wal te brengen. ‘Spinbarg’ heet dit project en het herbergt een ruim vol naargeestige verhalen die mondeling werden overgeleverd om vat te kunnen krijgen op tot dan toe onverklaarbare zaken; om uiting te geven aan (bij)geloof of om mensen te kunnen bedotten, dan wel beknotten. Sommige gruwelverhalen hebben pijnlijk veel historische waarde. De achttiende-eeuwse massamoordenaar Mepske van ’t Faan ontbreekt dan ook niet in de verzameling vertellingen. Het project Spinbarg ontleent haar naam aan de Groningse equivalent van Arachne, die draden spon – in het Groningse geval `s avonds laat, om jonge mannen in te vangen (daar hebben we meteen al zo`n verdorven vrouw 😉 ). Kunstenaars lieten hun creativiteit los op de verhalen en dat resulteerde in een schip vol indrukken. Op de laatste dag van de Kinderboekenweek, met het thema Gruwelijk eng!, bezocht ik De Familietrouw en maakte kennis met zowel een aantal vriendelijke kunstenaressen als met de schatten aan boord.

 

Spinbarg werkt als een raamvertelling. Onze Groninger Rutger Hauer, Theo de Groot, treedt naar voren als verhalenverteller die de verhalen inleidt en van historische omlijsting voorziet. Mij herinnerde dit aan Grim Tales van de BBC, waarin Rik Mayall – in kamerjas en gezeten in een wandelende fauteuil – de sprookjes van Grimm inleidde. Als bezoeker schuif je langs een aantal interactieve tableaus. Onheilspellende wezens; beproefde duivelsaanbidders; tragische liefdesgeschiedenissen en vooral veel erbarmelijke zielen worden besproken en bezongen. De kracht van de vertellingen huist in de verscheidenheid in vormgeving. illustratoren hebben allemaal hun eigen handtekening, de bijbehorende geluiden en stemmen verschillen sterk van elkaar, de toon is dan weer bloedserieus en dan weer luchtig en de ene keer is er sprake van een verteld verhaal, dan weer van een opus en tot slot is er het muziekstuk dat Arnold Veeman componeerde voor Spinbarg. Zijn muzikale vertaling De Dollard, de watersnood die een berucht laconieke dijkgraaf veroorzaakte, doet denken aan Paul Dukas’ stuk De Tovenaarsleerling , dat te horen is in de film Fantasia . Het wassende water heeft ook in Veemans compositie een duidelijke stem gekregen en is daarmee schrijnend actueel in het jaar waarin we de Kerstvloed van 1717 herdenken.    

 

Scholieren van het Noorderpoort College gaven gestalte aan een sage bij de Ennemaborg en Henk Scholte verleende met zijn warme stemgeluid medewerking aan dit tableau. Voor de nimmer wakende dialectpolitie: dat brengt het aantal Groningstalig verwoorde tableaus op twee. De keuze is uiterst plausibel, al roept het in het geval van de vertelling over de onschuldige Protestantse voortrekker Griet Koenes uit Munnekezijl een vraag op. Verteller De Groot leidt dit verhaal in met de aankondiging dat Griet de eerste uit de wijde omtrek was die godsdienstige liederen zong in haar eigen taal, in plaats van in het door de dan nog enige kerk repressief toegepaste Latijn. Daarop volgt een prachtig gezang van Hester Le Grand in het Nederlands, waarvan je je kunt afvragen of dat de ‘eigen taal’ was van een Munnekezijlster uit de zestiende eeuw. Marlene Bakker verzorgt met Bernard Gepken in iedere haven waar het schip aanmeert een speciaal optreden waarin de volksverhalen in het Gronings bezongen worden.    

 

Zo trok de Familietrouw de afgelopen tijd door onze provincie; als een vriendelijke Lorelei.


By Ingeborg 22 Sep, 2017

De vreugde die de nieuwe roman van Renate Dorrestein met zich meebracht werd overschaduwd door het tragische nieuws dat ermee gepaard ging: de schrijfster is ernstig ziek. In een gedetailleerd interview met De Volkskrant toonde Dorrestein zich nuchter, krachtig en wijs, precies zoals we van haar gewend zijn, en dat met een dosis introspectie die we bij veel politiek leiders jammerlijk moeten missen. Het verdict is onomwonden: één van Nederlands meest gelauwerde literaire schrijfsters heeft slokdarmkanker en ziet af van medische ingrepen.


Gegrepen door het lot van deze oersterke vrouw, realiseerde ik mij dat ik extra moest genieten van het lezen van wat misschien wel haar laatste roman zal zijn. Zodra de vertellende hoofdpersoon van Reddende Engel in het begin van het verhaal echter met een auto zonder brandstof en in het stikdonker de weg kwijtraakt op een Limburgse heuvel in een met vooruitwijzingen doorspekt stuk -  gedachten over verdwalen in verraderlijke mergelgrotten en legendes over bokkenrijders komen bijvoorbeeld langs – en een verkeerde afslag neemt om daarna in razend tempo naar beneden te storten en te belanden op het erf van een aftandse, spookachtige boerderij, weet je als lezer genoeg: je wordt in volle vaart meegesleurd in een echte Dorrestein en je zit er al middenin.


En een ‘echte’ Dorrestein, dat is het. Sinds haar romandebuut in 1983 was de schrijfster zeer productief, maar een aantal jaren geleden viel haar creativiteit ten prooi aan een tartend writer`s block. Hierover schreef zij De Blokkade (2013). Met haar stadsschrijverschap van Almere kwam het idee voor Weerwater (2015). Met deze roman, die we volgens Dorrestein geen dystopische mogen noemen maar daar dan toch sterk op lijkt, verwerkte ze kwellingen uit het verleden en keerde ze terug op haar troon als gevierd verteller met een stijl om van te watertanden. In het interview in De Volkskrant vertelt ze na Zeven Soorten Honger (2016) terug te willen keren naar het genre waarmee ze groot geworden is en waarop ze binnen de Nederlandse letteren het patent lijkt te hebben: dat van de gothic novel. Alles in Reddende Engel ademt die sfeer.


Hoofdpersoon Sabine is een veertiger die door haar man plotseling aan de kant geschoven wordt voor een ‘jonge Bambi’. Om haar verdrietige en kapotgehuilde hoofd een verzetje te gunnen, gaat Sabine onvoorbereid rondtoeren door Limburg. Het is haar werk om op landelijke locaties monumentaal erfgoed om te toveren tot Bed & Breakfasts en eenmaal haar schrik te boven ziet zij in haar stormachtige entree op het boerenerf een kans.


Zeer onwelkom blijkt zij en als een lichaamsvreemde stof wordt Sabine met enige vijandigheid uit het bijna organisch geworden familiebastion gedwongen. De omstandigheden beslissen echter anders en zo wordt Sabine door twee zusjes, Madeleine en Livia, onderdak verschaft in de verpauperde boerenplaats genaamd Oldenhage – de klankovereenkomst met ‘onbehagen’ lijkt geen toeval. Als Lockwood in the Wuthering Heights brengt zij de nacht door in de kamer van een inmiddels overleden vrouw – een ideale setting voor een gothic novel. Net als Lockwood beziet Sabine de zaken van buitenaf en wil ze zich de daaropvolgende dagen met flarden, hele leugens en halve waarheden een beeld zien te vormen van wat er zich aan schrijnende toestanden heeft afgespeeld op dat boerenerf.


In de plattelandsgemeenschap heerste een oude hiërarchie die nog sterk nawerkt. De aan de grond geraakte, oude landadel probeert zich in deze streek hoog te houden met status en naam, maar doet meelijwekkend aan als de gedegenereerde Metsiers van Hugo Claus. Maman, de hardvochtige, 96-jarige mater familias van Oldenhage, heeft zich niet omhoog getrouwd met een echte Gilissen om zich in te laten met zogenoemde kinkels. Reconstruerend komt Sabine erachter dat toen de stadse Alicia een aantal jaren eerder de opkamer – voel de dubbele lading – betrok als inwonende huishoudster, dit bij maman onmogelijk goed kan zijn gevallen, zeker toen bleek dat Alicia er andere zedelijke mores op na hield. Het dubbelgangersmotief duikt op: wordt Sabine na haar neergang van de heuveltop gezien als een nieuwe Alicia? Dat is niet te hopen, gezien de gevallen engel-verhaallijn rond de stadse blondine. Reden voor het disfunctionele gezin Gilissen om een rookgordijn op te trekken. Voor de woedende dorpsgenoten verworden zij tot verschoppelingen. De twee meisjes, hun vader en hun stokoude grootmoeder volharden in een ongemakkelijke status quo die voor niemand in het gezin goed lijkt uit te werken – behalve hooguit voor maman. Volgens haar moet je dieren geen namen geven, omdat je je dan aan hen gaat hechten. Binnenshuis is zij al jaren van haar ware naam ontdaan, maar daarbuiten kent men haar nog altijd als Adelheid.

“Adelheid vond haar niet alleen een sloerie, maar ook een golddigger. Zo iemand die zich via het bed omhoogwerkt, weet je wel. Adelheid zag haar al aan de haal gaan met Oldenhage. Zo`n beetje zoals zij het destijds zelf had aangepakt. Misschien deed Alicia haar wel te veel aan zichzelf denken. Daar zat ze niet op te wachten.”

Dat Alicia Adelheid aan zichzelf deed denken is niet zo vreemd in dit boek dat bol staat van de symboliek. Alle vrouwelijke hoofdpersonen hebben heiligennamen: Sabine, Madeleine, (O)livia, Adelheid en… Alicia is een variant van Adelheid. De titel Reddende Engel is eerder onheilspellend dan voorspelbaar ondubbelzinnig en als lezer word je voortdurend op het verkeerde been gezet door de nukken en zachtaardigheden van de betreurenswaardige zusters Gilissen.


Meelezend met Sabine observeer je de loop der dingen, maar mis je nog meer. In haar hoofd is ze immers nog steeds bezig met pogingen haar trouweloze ex versteld te doen staan, al lijkt hij haar vooral te zien als ballast uit een vroeger leven. Dankzij korte passages waarin het perspectief bij andere personages ligt, kom je er als lezer toe telkens meer kennishiaten te dichten. Dorrestein bouwt op deze manier de spanning vakkundig op.  


In een aantal opzichten spiegelt dit laatste boek haar eerste roman Buitenstaanders . Ook daarin raakt een auto van het gebaande pad en belanden de inzittenden daardoor in een gemeenschap die hen vreemd is en waar ze niet zomaar weer weg zullen komen. Hechte, kibbelende zusjes; mysteries en geheimen binnen een gesloten gemeenschap; vrouwelijke aftakeling en het mannelijke onbegrip dat dit opwekt; verwaarlozen, verzorgen en verzorgd worden; bloedverwantschap; opofferingsgezindheid; verwerken en wegstoppen; kinderlijke wreedheid; kinderloosheid en het gemis van een moeder: het begon in Buitenstaanders en deze reeks motieven werd voortgezet in vele romans als Het Hemelse Gerecht; Zolang er Leven is; Het Duister dat ons Scheidt; Verborgen Gebreken; Mijn Zoon heeft een Seksleven en ik lees mijn Moeder Roodkapje voor en zo verder. Renate Dorrestein heeft geen recensies nodig om blijk te geven van haar meesterschap. Toch wil ik haar zo graag nog één keer laten voelen hoezeer ze wordt gewaardeerd in de letteren. Ingeborg Nienhuis  

 

Renate Dorrestein, Reddende Engel (2017). ISBN 978-90-5759-860-9, 253 pagina’s, €19,99. Amsterdam: Uitgeverij Podium .


By Ingeborg 29 Aug, 2017
Gisteren hebben we onder een heerlijk zomerzonnetje de Groninger Paarden mogen demonstreren in het Stadspark tijdens Groningens Ontzet, werd het eerste exemplaar van 'De Groningin' overhandigd aan politicus en paardenkenner Henk Bleker, mocht ik aanschuiven aan tafel in de studio van RTV Noord om erover te praten en was er `s avonds het Bommen Berend Boekenbal hier op het erf. Wat een Peerdespul!

En vanochtend... werd ik al een paar keer gebeld over bestellingen van het boekje. Wauw!!! Wie ook graag een exemplaar (voor slechts een tientje) wil bemachtigen kan een mailtje sturen naar ingetekstueel@hotmail.com

Nu ga ik een paar dozen boeken inladen en met de vlam in de pijp naar verschillende boekhandels in de provincie voor de distributie. Winschoten, Vlagtwedde, Uithuizen, Leens, Zuidhorn, Stad en vele anderen... Ik kom eraan!
By Ingeborg 29 Aug, 2017

Een aanleunwoning, Noord-Groningen


"k Heb oap zain." Even blijft het stil. "Wat hebt u gezien, mevrouw?" De oudere dame legt het uit. "Inainen is dokter t roeg ien de kop worden. Juffraauw, k heb joarenlaank bie dizze dokter touholden, mor nou wi'k nlaanger." Zij knikt.

"U wilt graag ingeschreven worden bij een andere huisartsenpraktijk, vertelde uw dochter. Kunt u aangeven wat daarvan de reden is?" De dame probeert het nog eens. "k Was aaltied best te bruken over dokter, mor sunt n moand of wat dragt er haile vrumde jaskes, gaait er noar disco maank t jonkvolk en komt er tegen mörgen weer thoes. Doen. En non het er zien hoar vaarfd. t Is gain kiek geliek! Dat, ik heb oap zain." "U hebt...?" "Ik heb oap zain."1 "Juist."

1 In het Nedersaksisch en het Fries kan een aap verwijzen naar een smak geld, maar in deze context wordt er een echte aap bedoeld. Als je spreekwoordelijk 'aap hebt gezien' ben je ergens sterk op afgeknapt. Aanduidingen met 'oap(e)' zijn zelden complimenteus. 'Oapegrond' is bijvoorbeeld slechte grond waarop niets wil groeien en in Ter Laan duikt 'oapeding' op als een waardeloos voorwerp.


By Ingeborg 12 Aug, 2017
Op 28 augustus wordt het Groninginneboek gepresenteerd! Prelude en ik hebben de eer op een passende locatie het eerste exemplaar van ons boek te overhandigen aan een Bekende Groninger. We zien ernaar uit en nadere informatie volgt zo spoedig mogelijk :)   Foto: Frank de Schutter
By Ingeborg 26 Jul, 2017

Een lang geleden van het toneel verdwenen moeder; een verwarde, stokoude vader die zichzelf het liefst uit het leven zou willen goochelen; een jonger zusje in haar ontluikende puberteit en een verlatingsangstige hond genaamd Leo: de zeventienjarige Bas Jan krijgt wat voor zijn kiezen. Veel last lijkt hij niet te hebben van deze ongebruikelijke thuissituatie. Nu hij met zijn heldere hoofd geslaagd is voor het gymnasium en zijn talenten wil verfijnen aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag, is het voor hem als plaatsvervangend pater familias echter niet eenvoudig om zich los te maken.

Wanneer hij auditie moet doen voor de toelatingscommissie voor de Academie, besluit hij zijn vader, zusje en hond dan ook maar mee te nemen. Die volksverhuizing dient een tweeledig doel, want vaders achterland ligt deels nabij Wassenaar en Bas Jan hoopt met behulp van een in Den Haag achtergebleven oom de hiaten in het verschrompelende vaderverstand te kunnen vullen. Eenvoudig is die onderneming niet, want vader is bang voor snelheid en ook Leo heeft zo zijn fobieën. Bas Jan bouwt - weinig vernuftig - een tandem met een aanhanger en fietst met dit reizende gezelschap van het oosten naar het westen.

Niet alleen voor wat betreft deze schets van een disfunctionele familie, maar ook gezien de stijl doet dit werk denken aan 'The Hotel New Hampshire' van John Irving. In dat boek eveneens volop drama en Bildung in een origineel literair werk en dat op geestige wijze verteld door een zoon in het verhaal.

De vader van Bas Jan was in vroegere tijden een groot goochelaar; het talent van zijn zoon is dat hij kan vallen als geen ander. De protagonist is gebaseerd op de in 1975 tijdens een vaartocht - die als doel had de Atlantische Oceaan over te steken - verdwenen artiest Bas Jan Ader, die het vallen tot een kunstvorm verhief. Zijn achtergrond is sterk gefictionaliseerd: Ader zelf was het kind van verzetsstrijders en predikanten uit het Groningse Winschoten. Diens fictieve pendant groeide op in het oosten van het land, waar ook de schrijver van de Valkunstenaar zijn jeugd doorbracht. De tijd waarin de Bas Jan in het boek leeft, lijkt daarmee in harmonie. Net als in de schoolgesitueerde boeken van Siebelink lijkt het verhaal zich verder in het verleden af te spelen en pas wanneer het eerste mobieltje in het verhaal opduikt merk je dat de begrijpelijk vroegwijze, iets ouwelijke hoofdpersoon zich in de 21e eeuw met zijn karavaan door het landschap beweegt.

 

Het bezoek aan Den Haag brengt antwoorden met zich mee en mogelijkheden om een jeugd af te sluiten. Peppelenbos creëert zo op toegankelijke wijze een hoofdpersoon die je ieder moment door je straat kunt zien fietsen – berekenend hoe hij het beste zijn landing kan inzetten. Wie bang was dat er nooit meer een Joe Speedboot-eske avonturenroman aan de canon zou worden toegevoegd kan gerust zijn: die is er bij dezen. De Valkunstenaar beschrijft een queeste waarin het contrast wordt gezocht tussen geregisseerd en abusievelijk vallen; de bijsmaak van Gauloises en de textuur van een piercing; van vasthouden aan familieverantwoordelijkheden en het loslaten ten behoeve van een nieuwe start.


Ingeborg Nienhuis

By Ingeborg 08 Jul, 2017

Met sommige mensen mag je geen medelijden hebben, zo lijkt de algemene opvatting te luiden. Staatssecretarissen, presentatoren van goed bekeken praatprogramma`s, populaire popzangers… Gezien het loon dat gepaard gaat met hun leven onder de microscoop moeten ze ook niet piepen wanneer ze daar, onder dat vergrootglas, een keer een uitglijder maken.


Desalniettemin had ik deze week te doen met Jetta Klijnsma. Ze had al niet de gemakkelijkste portefeuille en nu werd ze op de valreep, want demissionair, in een talkshow ook nog gecornerd door drie publiekslievelingen die haar sociale experiment niet zagen zitten. Toegegeven: het is niet voor niets een experiment. Inhoudelijk wil ik dan ook niet ingaan op die pilot en de stellingname van Klijnsma enerzijds en Jinek, Boomsma en Smit anderzijds. Daar is al veel over gesproken. Wat me vooral opviel was de manieren waarop zij zich verwoordden.


Klijnsma is een ervaren politica die voor hete vuren heeft gestaan. Ze staat heus haar vrouwtje wel, maar ze moest er toch even flink tegen praten. Jan Smit, Volendammer in hart, nieren en politieke voorkeur, wond zich duidelijk op. De manager van Smit zat op dat moment mogelijk met samengeknepen billen een politiek correcte reactie te souffleren naast Eva's autocue, want we weten allemaal wat er gebeurde toen hem bij Barend en Van Dorp destijds gevraagd werd wat hij op 4 mei om acht uur 's avonds deed – over uitglijden onder een vergrootglas gesproken.


Smit begon heviger te gesticuleren en liet minder stiltes vallen, om zijn relaas te kunnen volbrengen. Klijnsma bleef rustig. Ze vond het ‘een tikkie te kort door de bocht’. "Je komt niet maarzo in de bijstand..." Sprak ze onder meer. Op het moment dat ze het even moeilijk kreeg, greep de geboren Hoogeveense, die studeerde in Stad, terug op een talig gebruik van haar geboortegrond, waar constructies als 'middendeur' als vertaling van 'doormidden' en 'morzo' als dialectische tegenhanger van 'zomaar' gebruikelijk zijn. Ook Jan Smit hoorde ik sterk leunen op de uitspraak zoals die gangbaar is in zijn regio. De v voor een a of o aan het begin van een woord klinkt bijvoorbeeld bijna als een w (taalkundig gezegd: als een stemhebbende labio-velaire approximant, in plaats van als een stemhebbende labiodentale fricatief) en zo klonk Smits ‘verdienen’ bijna als ‘werdienen’ en ‘vakgebied’ als ‘wakgebied’, terwijl de v vooraan in ‘vinden’ weer bijna stemloos werd: ‘finden’. Beide tafelgenoten van Jinek onthulden in hun discussie zo veel over de regio waarin zij talig werden gevormd.


Zich verbazend over de storm van verontwaardigde reacties schreef Smit overigens nog een nuancering op Instagram. Mogelijk enigszins geëmotioneerd, want ook in ‘Wolendam’ dobbert t ex-kofschip geduldig in de haven.


Fragment uit de nuancering op Instagram: (“…In mijn optiek is bijstandshulp bedoelt voor zieke mensen, mensen met een handicap, mensen die gedwongen ontslagen zijn, mensen die om psychische of lichamelijke redenen niet meer kunnen werken, alleenstaanden met kinderen die het hoofd niet boven water kunnen houden óf mensen die aan kunnen tonen dat ze zonder extra hulp niet kunnen overleven!...”.


Verwijzingen :
- Jinek gemist: https://www.npo.nl/jinek/KN_1676589


- Jan Smit op Instagram: https://www.instagram.com/p/BWKqjzqhI1l/?taken-by=jansmitcom

- Over de v en de w in IPA: https://nl.wikipedia.org/…/Stemhebbende_labiodentale_fricat…

By Ingeborg 23 Jun, 2017
Een verfrissend originele onderzoeksvraag van twee jonge gymnasiasten: ‘Hoe verklaren Groningers elkaar de liefde?’
“Niet”, antwoordden de vriendinnen die ik ernaar vroeg, maar daarover verderop meer.

Dat het Gronings geen taal is die meteen de associatie oproept met bronstig gefluisterde woordjes kan nagenoeg iedere spreker ervan beamen. Het team dat de Bijbel vertaalde naar (de) Biebel worstelde zo af en toe met de directheid en het onopgesmukte van onze streektaal. Maar elkaar de liefde verklaren, dat doen Groningers toch wel?

Groningsdag 2013: liefde als thema
Een aantal jaren geleden was ‘Laifde’ het thema van de Dag van de Groninger Taal1. Er werd onder meer een poëziebundel gepresenteerd met 90 Groningstalige liefdesgedichten uit de voorgaande dertig jaar. “Er wordt wel eens gezegd dat Groningers zich moeilijk uiten over de liefde. Het programma van de Dag en de liefdesbundel bewijzen het tegendeel; In Groningen beleeft men de liefde zoals overal ter wereld.” Luidt een citaat uit het begeleidende persbericht. In de bij de dag behorende Moi – het tijdschrift dat verbonden is aan dit jaarlijkse culturele hoogtepunt van de Groningse streektaal – staat bol van de beschouwingen, onder meer over de liefde.

Poëzie
Deze bewuste bloemlezing heeft dus de liefde als thema, maar dat is beslist niet het Leitmotif in veel Groningstalige literatuur. Als reactie op een oude traditie waarin de verheerlijking van Groningen en het Gronings, het liefst van vroegere tijden, het voornaamste thema vormde, ontstond in de tweede helft van de twintigste eeuw een tegenbeweging die afkerig was van onderwerpen die hen zoetsappig leken. Er vond een herijking plaats waarbij thematiek en versvormen kritisch onder de loep gelegd werden – al waren er buiten de mores van het literaire tijdschrift Krödde dichters te over die niet met die golfbeweging meevoeren.2

Muziek 3
Meer dan het gros van de hedendaagse Groninger gedichten, geven songteksten van veelgehoorde artiesten blijk van een bepaalde amoureuze voorkeur. Ze hier allemaal opsommen is ondoenlijk, maar om een idee te geven hierbij een aantal voorbeelden.

Voorwerpen, abstracties of gebeurtenissen worden gekoesterd en bezongen: 'Mien olde puch' en 'Cadillac', beide van Sijtse Scheeringa, ‘Leef het leven’ van Erwin de Vries, ‘Doen ien Oskerd’ van Jan Veldman, de ‘Lopster toren’ en ‘De Lidl’ van Rooie Rinus & Pé Daalemmer – in het tweede voorbeeld binnen de formatie De Bende van Baflo Bill – en zelfs een lofzang op dames door heel Groningen van Pé & Rinus. Zeker bij Veldman en laatstgenoemden zijn zulke lofzangen vooral ‘cabaresk’ en ironisch, zoals veel binnen hun oeuvres.

Hoewel loftuitingen nogal eens zijn gewijd aan plaatsen of streken (om er een paar te noemen: ‘De Groanrepubliek’ van Alex Vissering, ‘Wondern van mien stee’ van Marlene Bakker, ‘Mien Grunneger Stad’ van Arnold Veeman, ‘Laand woar ik geboren bin’ van Klaas Spekken en ‘Op Stee’ van Harry Niehof) zijn er daarnaast ettelijke Groningse liedjes als eerbetoon aan een geliefde. En hoe zijn die liefdesverklaringen dan van aard? Blijkens 'Ik mag die aibels geern' van Wia Buze, ‘k Mag die geern’ van Eltje Doddema en 'Wies mit die' van Henk Jan de Groot op z`n 'nuchter noorderlings': niet alle registers gaan open om het object van affectie te roemen en aan heel bombastisch doen we hier niet. Als de liefde langskomt in Groningse songteksten is dat nogal eens en passant: ‘Zundagmörgen’ van Swinder en ‘Julia’ van Edwin Jongedijk. ‘Trilploat’ van Wat Aans! focust meer op één specifiek onderdeel van de lustbeleving.

'As t boeten störmt' van Ede Staal is al iets ouder, maar nog actueel als cover van Marlene Bakker. Ingetogen en episch, wederom zonder te zoet te worden. 'Laifste' van Wia Buze en geschreven door Jan Henk de Groot benoemt de dagelijkse geneugten van het samenleven. ‘Doe’ van Erwin de Vries is een milde ode aan een geliefde.

‘Mien Lutje Laif’ van Arnold Veeman en Jan Siebo Uffen is emotie in woord en muziek, waarvan Veeman te kennen gaf dat het geschreven werd voor zijn kinderen. ‘Sayonara’ van Burdy is liefdes(verdriet)lied en de cover ‘Òfschaaid’ van Marlene Bakker en Edwin Jongedijk en het op muziek gezette gedicht ‘Joapke Jong’ van Eva Waterbolk zijn eveneens romantisch en gevoelig.

Ze zijn er dus, die gezongen liefdesverklaringen! Teleurstelling in (de context van) de liefde is er in het Gronings echter ook te over, als we zo luisteren naar bijvoorbeeld ‘Poolse bruid’ van Bert Hadders, Bonnie Boonstra & De Nozems, ‘Grunneger Wicht’ van Erwin de Vries, ‘Lola’ van Bert Hadders en de nozems en ‘Hee doe’ van Rooie Rinus & Pé Daalemmer.

Obsessieve of zelfs demonische liefde is het Gronings evenmin vreemd: in Burdy's 'De vissers van Zoltkamp' komt een schip dat in de vissersnetten een zeemeermin aantrof - kennelijk zo'n monsterlijke halfvis uit de Sirenenfabriek die ook Odysseus' schip op de klippen dreigde te laten lopen – nooit meer terug van zee en ‘De Knoalster Lorelei’ van Geert Teis verhaalt over een jongeling die het hoofd op meer dan één manier verliest bij het horen van het misleidende gezang van de blondgelokte deerne. De Lorelei werd muzikaal uitgebracht door Henk Scholte van Törf, Bert Ridderbos en Linde Nijland. Het project Spinbarg brengt ten slotte Groningse volksverhalen in woord en gezang ten tonele en tot deze verhalen behoren verschillende lugubere liefdesgeschiedenissen.4

Uit de kunst
“Mien laive stumper/ katmui/tied/…” mag dan een veelgehoorde uitroep zijn in het Gronings, als het gaat om het ophemelen van hun geliefdes binnen relaties valt het woord laif aanzienlijk minder vaak, aldus de door mij ondervraagden. Hoe verklaren Groningers elkaar de liefde? “Niet”, antwoordden de vriendinnen die ik ernaar vroeg dus. In hun ogen was berusting te lezen, doch een zweempje teleurstelling dacht ik eveneens te kunnen bespeuren. Hoe was dat dan zo gekomen, met die partners van hun? Die relaties ‘ontstonden gewoon’, verklaarden ze (wellicht is het niet handig om vriendinnen door te zagen over wat zij daar expliciet mee bedoelen), maar woordelijk benoemd werden de gevoelens zelden. Sterker nog: de dames die ik ernaar vroeg zouden het atypisch en enigszins ongemakkelijk vinden wanneer hun partner plotseling veranderde in een analytisch-romantische figuur. Vriendinnen foeteren soms op hun a-romantische mannen (“Schrijf ik een heel lief appje, krijg ik geen antwoord of, op z`n best, een berichtje terug met “Ok”. Nou jaaaaa!”), maar zouden zich bezorgd voelen wanneer zij ineens wel attent cadeautjes zouden krijgen van hun liefjes.

En andersom? De Groningse dames zijn uitgesprokener in hun liefdesbetuigingen, zo blijkt uit mijn micro-onderzoekje. Binnen de heteroseksuele stellen geven de meeste dames aan dat zij, zeker in de proloog van hun relatie, veel meer benoemden dan hun partner. Hun vrienden regisseerden, zij registreerden. Sturen deden veel vriendinnen wel. Van deze stellen spreekt niet iedereen Gronings met elkaar binnen de relatie, al lijkt dat voor de beoordeling niet uit te maken. Is er binnen ‘Groningse’ relaties dan meer communicatie tussen de regels door? Alle vriendinnen beamen dat.

♂♂
De vrienden in homoseksuele relaties die ik vroeg lijken explicieter in hun verbale liefdesverklaringen, al bedriegt schijn in dezen: één rondje over de Zuidlaardermarkt met vriend X en hij wist feilloos aan te wijzen welke bezoekers van de herenliefde waren en zelfs welke adolescent nog worstelde met zijn duidelijk homoseksuele geaardheid. Kortgezegd: ik lette op paarden, hij niet zozeer. Er worden heel wat blikken gewisseld, wenkbrauwen opgetrokken en lachjes toegeworpen. De non-verbale communicatie tiert er welig. “Maar ik loop toch naast je?” Probeerde ik nog. Not a chance: niemand van de herenliefde zou erin trappen dat hij bij mij hoorde.

En het volgende stadium? Hoe verlopen de liefdesverklaringen binnen relaties? Dat verschilt per partner. Iemand die onlangs uit de kast kwam is nogal stroef in zijn betuigingen, aldus mijn bron, andere eega`s zijn hartstochtelijker. Dit deel van het micro-onderzoekje is echter zelfreflectief, want, pech voor mij: in geen van de relaties is de eega een Groninger.

Huwelijksaanzoeken
Met welke bewoordingen gingen de huwelijksaanzoeken van de getrouwde stellen gepaard? Van de geïnterviewde stellen is er één bij van wie het aanzoek in het Gronings ging. En daarover kan de bruid kort zijn: dat was ‘eigenlijk niet echt’ een aanzoek. Niet? “t Mos mor es wezen, nait?” Waren de exacte woorden die ze kon oproepen.

De omgeving waarin het aanzoek plaatsvindt is in de meeste gevallen weinig spectaculair. ‘Aan de keukentafel’, ‘in bed’ en ‘op de fiets’ (bijna een eenzijdig ongeluk veroorzakend – was het toch nog spectaculair geworden) komen langs. Uitzonderingen zijn er ook: tijdens een concours hippique werd eens een dame, ten overstaande van minstens tachtig ruiters, ten huwelijk gevraagd door een haar welbekende parachutist en dat stel praat tot op de dag van vandaag Gronings met elkaar. Een andere kennis werd op haar favoriete Waddeneiland verrast met een aanzoek via flessenpost. ‘Onder een waterval op vakantie’ en ‘in Hydepark Londen; mijn favoriete stad’ worden ook genoemd. Die Groningers kunnen het dus best, dat romantisch zijn.

Wat opvalt is dat bij de meeste getrouwde heteroseksuele stellen de vrouw al geruime tijd voor het aanzoek aangaf te willen trouwen, alleen maar kinderen te willen als ze getrouwd was of alleen mee te willen verhuizen of zelfs emigreren na een huwelijksvoltrekking. Eisen aan het aanzoek werden ook nog regelmatig gesteld: de liefdesverklaring als pressiemiddel!

In een enkel geval (aanzienlijk minder vaak) vroeg de vrouw de man en dan in een bijpassende locatie: in een theehuisje bij een Groninger borg, bij een boom met een speciale geschiedenis of in een helikopter boven een zekere rivier.

Man of vrouw: in de meeste gevallen kwamen ingestudeerde volzinnen bij een aanzoek spontaan te vervallen vanwege wederzijdse spanning. “Aaaaach toe nou, je weet toch wel wat ik wil vragen?!” Spant de ri… kroon.

Huwelijk en toneel
De suggestie dat trouwen belangrijk lijkt, wordt gevoed door de rijke traditie aan amateurtoneel in Groningen en het Gronings. Veelal kluchtige stukken zijn het die jaarlijks worden opgevoerd na een winter repeteren, en waarin nogal eens minimaal één verhaallijntje zit over een potentieel stel dat in eerste instantie (vanwege standsverschil, inkomensverschil, leeftijdsverschil of volstrekt contrast in karakters) weinig overeenkomstig heeft, om op de valreep van inzicht te veranderen om dan te besluiten tot een huwelijk. Het huwelijk lijkt hierbij het summum: een elementaire daad die tot het hoogst haalbare behoort. Deze visie strookt, paradoxaal genoeg, niet met het ingedutte stel (kijvende vrouw, lethargische man, blank, middelbare leeftijd, arbeidersklasse) dat in nagenoeg iedere Groningse klucht eveneens opduikt.

Hoe dan ook: de beslissing van het jongere of jeugdiger stel om in het huwelijksbootje te stappen lijkt vaak weinig natuurlijk. De één was al gecharmeerd van de ander, maar de ander moest lange tijd niets van de één hebben; de twee konden elkaar niet luchten of zien of het is nog dramatischer: er was een schijnbaar onoverkomelijke kloof vanwege een familievete. In plaats van een natuurlijk toegroeien naar elkaar, lijken de latere huwelijkspartners als bij toverslag tot verandering van amoureuze voorkeur te komen. Zelfs een deus ex machina komt er niet altijd aan te pas. De liefdesverklaringen die we op het podium geuit horen worden komen veelal van de mannelijke helft van het stel en zijn dikwijls onbeholpen van aard.

Goedbedoeld, maar enigszins ongelukkig geformuleerd zijn die liefdesbetuigingen met regelmaat. Om al te expliciete uitingen te omzeilen wordt er grif gebruik gemaakt van metaforen (de term 'brommers kieken' is niet voor niets streektalig). "Zolst n moal mit mie mitgoan willen noar Zuudloardermaart?" is bijvoorbeeld zo`n vraag uit een toneelstuk: een vraag die vervolgens wordt geïnterpreteerd als een voorportaal voor een levenslange alliantie en zo ook bedoeld lijkt. "Ik wol mit die ook wel ais noar Paries" - veel gekker wordt het niet.

Niet in alle gevallen krijgen we als publiek de liefdesverklaring echter te horen, want deze vallen nogal eens buiten de registratie van het publiek. In veel gevallen komt een dergelijk stel - te elfder ure, als veel andere verhaallijntjes zijn afgerond - in medias res uit een kast of met een openvallende deur de plaats van handeling binnenrollen met verward haar, verkeerd vastgeknoopte kleding en overmatige lipstick op onverwachte plaatsen. De kracht van de scene zit hem in het verrassingseffect (is dat er nog, bij zo`n formule?) van de twee tegenpolen die elkaar, o hilariteit, op hartstochtelijke wijze weten te vinden.

Lijkt dit iets al te onbeholpen om realistisch te kunnen zijn: dat laatste valt nog te bezien. Natuurlijk komen alleen de excessen ter sprake tijdens een theetje en een wijntje, maar tot welgemeende complimenten en verkapte liefdesverklaringen van Groningers behoren onder meer: "Doe bist t nuverste wichtje van t haile dörp" (bij een inwonertal van hooguit duizend), "k Mog altied geern noar joe kieken, veul laiver as noar meneer X" (oud-leerling verklaart dat hij zijn lerares van toen 26 prettiger vond om naar te kijken dan zijn leraar van 54...) en dan mijn persoonlijke favoriet: "Magst mie nog n beetje lieden?" "t Kon minder." Nooit te veel van je gevoelens weggeven, is duidelijk het devies.

Om Boer Marc uit het laatste seizoen van Boer zoekt Vrouw (geen Groninger - al studeerde hij in Stad - wel geheel conform de 'weinig spreken en boodschappen communiceren middels ongemakkelijke orakelteksten'-formule) te citeren: " ‘Denk je dat je het leuk vindt om misschien… nog een mango te plukken?" (zijn lach, de twinkel in zijn ogen en het gemier met de tak suggereren iets anders), waarna er gezoend wordt met Annekim, het pleit beslecht blijkt en de rivale gewekt wordt uit een middagdutje om haar samen, als kersvers stel, de bons te geven.

Stukjestraditie
In een tijd waarin het sluiten van huwelijken heel gebruikelijk was, bestond er een rijke traditie in het opvoeren van ‘stukjes’. Voordrachtskunst beperkte zich toen nog niet tot één kanaal; dit was meer ‘Youtube avant la letre’. Sedert de Renaissance kennen de Nederlanden zogeheten rederijkerskamers. Leden van rederijkerskamers voerden op speciale avonden stukjes op die ze opdroegen aan de ‘Prince’; de preses van de kamer. Lieden die hier goed in waren, gingen op tournee met hun voordrachtkunst om voor een gretig publiek hun verhaal te doen.
Zo ging het ook met die bruiloftstukjes: zulke sketches en liedjes werden voorgedragen tijdens een huwelijksfeest en stukjes die goede kritieken oogstten werden verzameld en keer op keer opgevoerd. Nog steeds leeft die traditie voort op huwelijkspartijen en jubileumvieringen en nog altijd zijn Groningstalige stukjes met een geestige ondertoon populair. Schuttert een spreker te lang voor aanvang van zijn conference dan klinkt er uit het – veelal beschonken – publiek iets als “Wordt t nog wat of wordt t niks?” Fré Schreiber verzamelde en bundelde zulke sketches en liedjes onder de titel ‘Dij spreker’ 5 en zelf heb ik een ‘Grunneger Laideboukje’ uit 1936. 6 Veel ervan gaan over de liefde en het huwelijk, dat zal niemand verrassen.

Weinig expressief of onbeholpen
“Doe bist mien speklap, mien laiverd”, zong Henk Wijngaard. Een Gronings koosnaampje is, volgens opdrukken op een lijn met kantoorartikelen die rond 1993 uitgegeven werd, ‘sukkerknailduveltje’. Kortgezegd: de vonken spatten er nu niet direct van af. De meeste van de genoemde voorbeelden onderschrijven dit beeld. Sinds het abele spel ‘Lanseloet van Denemerken’ is er in sommige opzichten weinig veranderd. De goedaardige ridder met wie de heldin van dat verhaal uiteindelijk gelukkig wordt, verwoordt zich weliswaar onbeholpen (“Ic hebbe u liever dan een everzwijn”)7, maar is bij benadering vele malen nobeler dan de gladde prater die haar aanvankelijk de bedstee in kwebbelde.


Noten:

1 Vooraankondiging Dag van de Groninger Taal 2013: https://www.huisvandegroningercultuur.nl/...

2 ‘Onkruud vergaait nait. Een onderzoek naar tendensen binnen literaire streektaaltijdschriften.’ (2005), Ingeborg Nienhuis

3 Veel van de beschreven liedjes zijn verkrijgbaar op CD of via een streamingdienst. De meeste ervan werden onder meer gedraaid in het muziekprogramma ‘Twij deuntjes veur ain cent’.


5 ‘Dij Spreker’ (2016), Fré Schreiber: http://www.uitgavennoordgroningen.nl/...

6 Grunneger Laideboukje (1936). Oetgeven in opdracht van de Alg. Verainen "Groningen"

7 Een frase uit de Lanseloet op de website van het Alfasteunpunt: http://www.rug.nl/education/scholie...

By Ingeborg 31 May, 2017
Groningen/ Zoetermeer De gecommitteerden waren het erover eens: het opstel dat de leerling had geschreven tijdens het Centraal Schriftelijk Eindexamen Nederlands verdiende een cijfer dat de classificatie 'ruim voldoende' oversteeg. Ze sloegen allebei aan het tellen: aan welke criteria was de leerling tegemoetgekomen en welke punten waren wat zwakker uitgewerkt? Kwam het cijfer uit op een 'goed' of werd het opstel zelfs gewaardeerd met een 'zeer goed'? Voor spelling en interpunctie hoefde slechts 0,3 punt van het uiteindelijke bruto cijfer te worden afgehaald, dus dat was eenvoudig om over op één lijn te komen.

Tegenwoordig wordt er stevig geklaagd over het CSE Nederlands voor met name havo en vwo. Terecht, want leesvaardigheid zegt weinig over het taalgevoel van een tiener. Zo`n examen is niet een finalewerk waarnaar scholieren jaren toewerken en die alle deelvaardigheden van het vak test. Daarbij zijn de teksten regelmatig voor meerdere lezingen te vatten en de vragen ambigu, wat haaks staat op het exacte karakter van het beoordelingsmodel. De meeste docenten Nederlands in het voortgezet onderwijs zijn het er daarom over eens: weg met de eindtoets in deze vorm!

De vraag blijft echter: wat moet er dan voor in de plaats komen? Eind jaren negentig bestond het examen nog uit een toets leesvaardigheid en een toets schrijfvaardigheid. En hoewel er ook veel op af te dingen valt op die vorm: een opstel toetst beslist verschillende vaardigheden en vereist van de leerling bovendien meer eigen inbreng. Het probleem hierbij is echter dat het, ondanks zorgvuldig uitgekiende correctiemodellen, voor twee docenten vaak lastig is om op één lijn te komen qua beoordeling. Smaak speelt namelijk ook een rol: wat de één een prachtig verhaal vindt, is voor de ander bombastische edelkitsch.

In het bovenstaande geval van jaren geleden speelde dit debacle geen rol van betekenis, want de docenten uit de twee verschillende delen van het land waren het erover eens dat de leerling in kwestie de paar uur van het examen goed benut had door een sterk verhaal te schrijven met spanning en gelaagdheid en dat in een onderhoudende schrijfstijl.

De gecommitteerde uit Zuid-Holland brak zich echter het hoofd over een frase uit de tekst van die leerling van het scholengemeenschap in Groningen: "Over een dwars personage schrijft ze dat hij niet 'om het lijk' wil. Om het lijk! Wat is dat voor een lugubere uitdrukking?" De collega uit het noorden grinnikte. Zijn van huis uit Groningstalige leerling had de Groningse uitdrukking 'nait om t liek willen', waarbij ‘liek’ niet vertaalbaar is met ‘lijk’ maar met ‘gelijk’, onterecht opgevat als rechtstreeks vertaalbaar naar het Nederlands. 'Geen concessies willen doen/ niet in het gelijke willen komen', zoiets betekent dat. De docent was bereid iets van het cijfer van zijn leerling te halen. Desondanks kwam ze voor dit onderdeel nog steeds uit op een mooie negen en hij wist dat ze daar blij mee zou zijn. Een beetje compensatie was wel nodig, daar ze bij wiskunde beslist ‘nait om t liek wol'.
More Posts
Share by: